BEDRIJFSOPVOLGING SUCCESVOL ….. EN DAN ?

Zoon of dochter is vader of een werknemer is hem in zijn bedrijf opgevolgd. De hoge vrijstellingen voor schenk- en erfbelasting zijn toegepast. Om die te behouden moet de onderneming tenminste 5 jaar voortgezet worden. De opvolger wil echter ook expanderen en samenwerken. Waar moet hij voor oppassen om de vrijstellingen niet in gevaar te brengen ?

Wanneer loopt de bedrijfsopvolger her risico dat de vrijstellingen teruggedraaid worden ? De wetgever wil namelijk uitsluitend reële bedrijfsopvolgingen in aanmerking laten komen voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet.

Wat hielden deze bedrijfsopvolgingsfaciliteiten ook al weer in ?

Hoeveel vrijstelling u krijgt, hangt af van de waarde van de onderneming. Er zijn vier situaties mogelijk:

Goingconcernwaarde is maximaal € 1.006.000 en hoger dan liquidatiewaarde

U krijgt 100% vrijstelling over de goingconcernwaarde.

Goingconcernwaarde is maximaal € 1.006.000 en lager dan liquidatiewaarde

U krijgt 100% vrijstelling over de liquidatiewaarde.

Goingconcernwaarde is meer dan € 1.006.000 en hoger dan liquidatiewaarde

U krijgt 100% vrijstelling over de goingconcernwaarde tot € 1.006.000.

U krijgt 83% vrijstelling over de goingconcernwaarde boven € 1.006.000.

Goingconcernwaarde is meer dan € 1.006.000 en lager dan liquidatiewaarde

U krijgt 100% vrijstelling over het verschil tussen de goingconcernwaarde en de liquidatiewaarde.

U krijgt 100% vrijstelling over de goingconcernwaarde tot € 1.006.000.

U krijgt 83% vrijstelling over de goingconcernwaarde boven € 1.006.000.

Voor toepassing van deze voorwaardelijke vrijstellingen heeft de wetgever als voorwaarde gesteld dat de voortzetter de voort te zetten onderneming gedurende vijf jaar voortzet. Deze termijn vangt aan op het moment van voortzetting. Aan het voortzettingsvereiste is niet voldaan als binnen deze vijfjaarstermijn:

- de voortzetter van de onderneming geen recht meer heeft op de winst uit de onderneming of een gedeelte daarvan heeft, dan wel winst gaat genieten als medegerechtigdeof als ‘bijzondere leningverstrekker’;

- de voortzetter van een voor de BOR kwalificerende medegerechtigdheid geen recht meer heeft op de winst uit de voortgezette medegerechtigdheid of een gedeelte daarvan.

Concreet houdt dit in dat (een gedeelte van) de voortgezette onderneming in andere handen overgaat of gestaakt wordt.

Met het voortzettingsvereiste van 5 jaar wil de wetgever met name voorkomen dat de BOR wordt gebruikt om beleggingsvermogen te faciliteren. Daarvan is sprake als de voortzetter de onderneming kort na de verkrijging ‘liquide maakt’ door deze te verkopen. De wetgever

heeft in dat kader aansluiting gezocht bij het stakingsbegrip in de inkomstenbelasting. Met andere woorden die wet stelt vast wanneer de voortzetting stopt. Gevolg hiervan is dat een bedrijfseconomisch wenselijke wijziging, verplaatsing of beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, onder omstandigheden kan leiden tot een verval van de faciliteiten. Want dan wordt volgens de inkomstenbelasting (een deel van) de onderneming gestaakt.

Hoewel vanuit bedrijfseconomisch oogpunt misschien niet wenselijk, kan het – ter behoud van de faciliteiten – dan ook soms aantrekkelijk zijn het stakingsmoment uit te stellen.

De bedrijfsopvolger wil nieuw elan in zijn onderneming brengen. Tussentijds, dus binnen die 5 jaar van wettelijk vereiste voortzetting, heeft de ondernemer het plan om samen te gaan werken met andere ondernemer(s).

Of de ondernemer wil tussentijds van een eenmanszaak of firma naar een B.V., het laatste met als doel het bedrijfsrisico buiten zijn privé-vermogen te houden.

Dan is het oppassen geblazen. Dan kan sprake zijn van een staking van de onderneming, waardoor de BOR-vrijstellingen vervallen, waardoor alsnog een flink bedrag aan schenk- of erfbelasting verschuldigd wordt.

Stel: De ondernemer wil van een eenmanszaak of firma naar een B.V.

Brengt een ondernemer zijn onderneming in een BV in, dan staakt hij, natuurlijk persoon, zijn onderneming, gedreven in de vorm van een eenmansbedrijf of firma. Vanaf het moment van inbreng wordt de onderneming immers voor rekening en risico van de vennootschap, een van hem losstaande rechtspersoon, gedreven.

Brengt een voortzetter binnen de vijfjaarsperiode zijn onderneming in een BV in, dan is naar de hoofdregel sprake van een verboden handeling. Hierop wordt – op verzoek – een uitzondering gemaakt in het geval de inbreng plaatsvindt met toepassing van de geruisloze inbrengfaciliteit, voor zover de vennootschap de onderneming voortzet.

Stel: Tussentijds heeft de ondernemer het plan om samen te gaan werken.

Een ondernemer besluit zijn onderneming samen met een ander te gaan exploiteren in de vorm van een vennootschap onder firma (VOF). Hiertoe brengt de ondernemer zijn onderneming in het samenwerkingsverband in. Tot het ondernemingsvermogen behoort een pand met een werkelijke waarde van € 500.000 en een boekwaarde van € 300.000. De toetreder brengt uitsluitend arbeid in. De winstverdeling is 75%-25%.

Door de inbreng verschuift het economische belang bij het ingebrachte ondernemingsvermogen voor 25% naar de toetreder. De ondernemer realiseert daardoor voor de inkomstenbelasting een stakingswinst van 25% x € 200.000 = € 50.000.

Hierover is hij inkomstenbelasting verschuldigd.

Wat voor ons onderwerp echter van belang is: Een wijziging van de winstverdeling kan eveneens een staking betekenen. In de praktijk verloopt de winstverdeling bij samenwerkingsverbanden vaak als volgt:

1. berekening van een ‘rentevergoeding’ over de kapitaalstand;

2. het ondernemersloon;

3. de verdeling van de restwinst conform de overeengekomen winstverdeling.

Van een staking is sprake als het economisch belang bij de onderneming verandert. Dit is aan de orde bij winstcomponent ‘3’. Van een staking is dus geen sprake als een vennoot bijvoorbeeld uit de winst een hogere arbeidsvergoeding heeft ontvangen, omdat hij dat jaar meer werkzaamheden heeft verricht of een hoger winstaandeel krijgt vanwege een hogere kapitaalstand.

Dat betekent in situatie 3 dat de indertijd verleende vrijstellingen in het kader van de BOR vervallen doordat een stuk van de restwinst naar de nieuwe partner gaat.

Had de voortzetter al vóór de voortzetting krachtens erfrecht of schenking een aandeel in de objectieve onderneming en heeft hij de rest geërfd en voortgezet ?

Dan kan hij in het kader van de samenwerking dat deel, dat hij al had, zonder verval van de BOR-vrijstellingen aan een derde overdragen via een andere de verdeling van de restwinst.

Conclusie: Is sprake van toegekende bedrijfsopvolgingsvrijstellingen, raadpleeg dan altijd een deskundige om na te gaan, in hoeverre te nemen stappen binnen 5 jaar na deze voortzetting van invloed kunnen zijn op de indertijd verleende BOR-vrijstellingen en het eventueel terugdraaien van de vrijstellingen daarvan. Voorbeelden van dergelijke stappen zijn het aangaan van een samenwerking of het oprichten van een B.V. .

Taalkeuze

Artikelen

Exoneratie

De informatie op deze website en in aan deze website gekoppelde artikelen is zorgvuldig samengesteld. Schretlen Notaris is echter niet verantwoordelijk en wijst iedere aansprakelijkheid af voor en/of in verband met alle gevolgen en/of schade van een eigenmachtige toepassing op basis van de inhoud hiervan.